De loozing van Friesland's boezemwater

Uit Wouda's Wiki
Leeuwarder Courant
Vrijdag 31 december 1909.[1]

De loozing van Friesland's boezemwater

In de vergadering van de afdeeling „Tietjerk­steradeel” van de Friesche Maat­schappij van Landbouw, welke Dinsdag­namiddag te Hardegarijp werd gehouden, trad de heer Th. M. Th. van Welderen baron Rengers, van Oenkerk, lid van Gedepu­teerde Staten van Friesland, als spreker op, ter inleiding van het onderwerp: „De loozing van het boezemwater.”

De natte zomer en het hooge boezem­water in het najaar hebben de quaestie der afstrooming weer op den voorgrond gebracht, aldus begon spreker en hij had daarom gaarne aan het verzoek van het afdelings­bestuur voldaan, om over die vraag en de middelen tot verbetering der afstrooming het een en ander mede te deelen.

Vooraf verklaarde spreker uitdruk­kelijk, dat hij zich niet wenschte uit te laten, in welke richting hij bij voorkeur de verbetering wil zoeken. In zijne hoedanig­heid als lid van Gedepu­teerde Staten is hij van nabij betrokken geweest bij de onder­hande­lingen met het Rijk en de provincie Groningen over het Lauwerzee-vraagstuk en waar die onder­hande­lingen nog niet zijn afgeloopen, paste het hem niet, in het openbaar een oordeel over de resul­taten uit te spreken. De definitieve oplossing mag naar alle waar­schijn­lijkheid spoedig tegemoet worden gezien, zeide spreker.

Bovendien deed hij opmerken, dat, waar hij een meening ten beste geeft die afwijkt van hetgeen officieele verslagen verkondigen of eenig ander punt toelicht, dit louter als zijn persoon­lijk gevoelen moest worden opgevat; hij sprak geheel dus als particulier persoon voor zijn eigen verant­woorde­lijkheid. Spreker kon echter, ook op dat standpunt staande, genoeg vertelen van den inhoud van het afstroomings­vraagstuk. Weinigen onder u, zeide de inleider, zullen de omvang­rijke stukken, welke daarover het licht zagen, gelezen hebben, en uit de ingezonden stukken in de couranten der laatste maanden blijkt ook steeds, dat de resultaten van het onderzoek, dat na 1894 is ingesteld, nagenoeg onopgemerkt zijn gebleven. Toch zal aan de hand der door de Staats­commissie en vervolgens door de Lauwerzee-commissie verzamelde gegevens de oplossing moeten worden gevonden. Het is daarom goed, om eens uiteen te zetten, wat van de verbetering der afstrooming verwacht kan worden en op welke wijze verbetering is te verkrijgen.

Allereerst vertelde spreker in het kort iets van de geschiedenis van de afstrooming. Niet altijd zijn de daaraan gestelde eischen gelijk gebleven: met de veranderde land­bouw­toestanden zijn de verlangens gewijzigd. Met den vooruit­gang van den landbouw is de beteekenis der buiten­landen toege­nomen en nu is men niet meer met den bestaanden toestand tevreden, een toestand, die met de voort­durend door­gaande inpoldering natuurlijk verergerd wordt.

Wij staan dus nu weer voor de nood­zakelijk­heid, dat een verdere stap gedaan wordt ter verbetering van de water­loozing, zeide spreker.

Voordat hij overging tot de bespreking van de middelen, die daartoe worden aangeprezen, wilde spreker eerst eens de vraag onder de oogen zien:

  • Wat is de taak van de provincie in zake de afstrooming?
  • Wat kan in billijkheid van de provincie gevraagd worden in het belang der afstrooming te verrichten?

De provincie heeft tot taak te zorgen voor het beheer­schen van den boezem in zulke mate, dat de parti­culiere grond­eigenaars ten opzichte van de water­staats­verhou­dingen hunner eigen­dommen, van den boezem kunnen profiteeren zooveel mogelijk op gelijken voet; zij is althans geenszins verplicht voor de geheele droog­legging van slechts een deel der eigendommen te zorgen. Van een verbetering van den water­afvoer zal nagenoeg de geheele provincie voordeel genieten. Maar er is geen reden, dat die verbetering zoover ga, dat de eigenaars van een klein gedeelte der provincie op provinciale kosten in een toestand worden geplaatst, die hen nagenoeg ontheft van hunne taak, om op eigen kosten te doen, wat honderden anderen wel deden. De droog­legging der lage boezem­landen is echter niet het doel van de verbetering van Friesland's afwatering. Dit doel is de verbetering van den water­staat in 't algemeen en dat hierdoor vooral de lage landen in voor­deeliger conditie komen is een gewenscht gevolg, is één der doel­einden, maar niet het hoofddoel.

In tijden van goot water­bezwaar springt de schade, die de boezem­landen lijden, het eerst en het meest in het oog en onwille­keurig vraagt men dan naar middelen, vervolgde de inleider, die het euvel van de landen wegnemen.

Wanneer men zich echter goed rekenschap geeft van de taak, die de provin­ciale overheid tegenover de water­afstrooming heeft te vervullen, dan ontkomt men niet aan de gevolg­trekking, dat niet een verbetering tot elken prijs mag worden gevraagd.

In de laatste 25 jaren zijn de volgende jaren voor­gekomen, dat de buiten­landen schade onder­vonden van den hoogen boezem­stand: 1888, 1891, 1894, 1903 en 1909. In 1894 en 1909 ging de tweede snede verloren, in 1903 lag het nadeel in het lange onder water staan in Mei en begin Juni.

De geheele boezem van Friesland is groot ± 300.000 H.A. De buiten­landen, die bij 50 + Z.P. onder water staan, kunnen worden geschat op 30.000 H.A.

Als de boezem op 25 + staat, zijn er ± 6000 H.A., op 30 + ± 17.000, op 40 + ± 29.000 en op 50 + ± 33.000 H.A. onder­geloopen.

Daarna loopen verscheidene zomer­polders onder en wordt de boezem grooter. Bij den water­stand van Augustus 1894 was ± 30.000 H.A. onder­geloopen.

De schade, welke deze lande­rijen lijden door het hooge water, is moeilijk juist te schatten, de lage landen lijden natuur­lijk het eerst en het meest. De taxatiën over die jaren loopen zeer uiteen, maar rekent men, zeide spreker, de schade gemiddeld op ƒ 50 per H.A., dan zal men zeer zeker niet te laag zijn. Men krijgt dan een bedrag van ƒ 1.500.000 als schade door de lage buiten­landen geleden in jaren als 1909, 1903 en 1894. Gemiddeld zou de directe schade per jaar dus op ongeveer ƒ 300.000 kunnen worden berekend.

Dit cijfer, dat ook aan de Lauwerzee-commissie niet onbekend was, bracht haar er toe om in geen geval werken te ontwerpen, die zouden bewerken, dat de lage landen altijd droog lagen. De kosten hiervoor zouden zoo hoog zijn, dat hieraan niet te denken was. Gedepu­teerde Staten hebben eerst nog eens gevraagd of de mogelijk­heid bestond om werken te maken, die Friesland als 't ware in den toestand van een bemalen polder brachten, maar na het advies der commissie, die, als ik 't wel heb, zeide spreker, getallen noemde van 25 à 30 millioen, heeft men dit denk­beeld laten varen.

Spreker wees er op, dat de statistiek van den heer van der Weide, opgenomen in het „Friesch Weekblad” en de „Leeuwarder Courant” niet geheel duidelijk is. Bovendien rekent de heer v. d. Weide alleen over zeer vrucht­bare buiten­landen, wat blijkt uit de verwachte opbrengst: de oogst der vele blauwgras­mieden was dit jaar op 24 Augustus zeker al binnen en in ieder geval bedroeg op die landen de schade lang geen ƒ 50 per H.A.

De buitenlanden moeten zich dus niet vleien met de verwachting, dat een verbeterings­middel tot stand komt, waarbij zij in den toestand van inge­polderde landen komen.

Welke verbetering ook aangebracht wordt, zelfs die van het groote Lauwerzee­plan, dat 13 millioen moet kosten, altijd zullen die eigenaren van buiten­landen, die geheele zeker­heid wenschen, voor eigen inpoldering moeten zorgen. Met uitvoering van het geheele Lauwerzee­plan zoude in 1894 de boezem nog van 10 tot ongeveer 19 Augustus hooger zijn geveest dan 20 cM. + Z.P. en 3 of 4 dagen hooger dan 30 + Z.P. Nagenoeg de geheele maand October 1903 zou de boezem hooger dan 30 + Z.P. zijn geweest. Er is geen reden, dat Rijk en provincie aan hen, die daartoe geen lust hebben een cadeau geven, dat in hoofd­zaak door de wel ingepolderde moet worden opgebracht. In onzen naasten omtrek liggen geen buiten­landen, die niet ingepolderd kunnen worden. Daarin moet de groote verbetering gezocht worden. De provincie kan dan zorgen, dat de water­staats­toestand in het algemeen verbeterd wordt. Dat de boezem beter beheerscht wordt, is een algemeen belang, in de eerste en belang­rijkste plaats moet genoemd worden het groote algemeene belang, dat in April de boezem tot een laag peil wordt terug­gebracht: het is ook in andere perioden een algemeen belang, ook voor de polders, getuige de vele die 't water nu aan de lippen hebben gehad of onder­geloopen zijn, ook voor de vrij hoog gelegen niet ingepolderde landen, ook voor de gebouwde eigendommen die voorloopig nog niet alle hoog genoeg gebouwd liggen, ook voor de scheep­vaart, omdat niet meer zoo angstvallig in den zomer afgestroomd behoeft te worden: maar geheele droog­legging der buiten­landen moet van verbetering der afstrooming niet verwacht worden.

Natuurlijk zullen de buiten­landen het meest van de verbetering profiteeren: ze zullen voorjaars eerder droog liggen en najaars langer droog zijn, de hooi­oogst loopt veel minder gevaar: maar volstrekte zekerheid kan hun niet geschonken worden.

Door eigen inpoldering kan de quaestie worden opgelost, wanneer daarmede gepaard gaat een verbeterd middel om het provinciaal boezem­water vlugger buiten de sluizen te krijgen, daar aan droog­legging der landen door de provincie niet gedacht mag worden.

De provincie dient dus slechts te zorgen, zeide spreker, dat de afstrooming beter geschiede dan tot nu toe, en moet daarbij toezien, dat de kosten evenredig zijn aan het te verwachten voordeel.

Zijn de kosten niet geëvenredigd aan hetgeen men van de uitwerking verwacht, dan mag het werk niet worden uitgevoerd: het geld zou dan weg­geworpen zijn.

Aan dezen maatstaf zal men de ver­bete­rings­plannen moeten toetsen, zeide spreker.

Hierop werden de verschil­lende methoden en plannen, die worden aangegeven om in de verbetering te voorzien, uitvoerig besproken.

Onder andere werd in herinnering gebracht het rapport der Lauwerzee-commissie. Zij beval aan: indijking der Lauwerzee met een groot kanaal van den Bergumerdam naar de Nieuwezijlen en een stoom­gemaal bij Tacozijl.

Gedeputeerde Staten konden zich niet bij het plan dezer commissie neer­leggen. Ze kwamen tot de over­tuiging, dat, ingeval zoowel de Lauwer­zee werd ingedijkt als een stoom­gemaal te Tacozijl werd gebouwd, dit laatste soms 10 jaren aaneen ongebruikt zou staan en wanneer het gebruikt werd, geen noemens­waard voordeel zou aanbrengen. Naar spreker's vaste meening mag niet gedacht worden aan de combinatie van beide. Men mag als vast­staand aannemen, dat wanneer de Lauwer­zee was ingedijkt en een stoom­gemaal was gemaakt overeen­komstig de plannen der Lauwerzee-commissie, het gemaal in Augustus 1894 zou hebben gewerkt, maar in de jaren 1895 tot en met 1902 nimmer zou hebben behoeven te draaien, en eerst in April en Mei 1893, dus na 9 jaren, weer eenig nut zou hebben gedaan, waarna het weer zou hebben kunnen rusten tot October 1909.

En nu zal men nog kunnen zeggen, zeide de inleider, dat dat er niet toe doet, wanneer het dan maar die enkele keeren zijn nut doet. Ook dit zou mijn inziens niet het geval zijn. Het gemaal moet ongeveer ƒ 3.000.000 kosten, de exploitatie inbegrepen. Nu zou in Augustus 1891 met het gemaal en de ingedijkte Lauwer­zee de boezem nog zijn gestegen tot ongeveer 32 c.M. + Z.P. en met de Lauwer­zee alleen tot ongeveer 36 + Z.P., en met de Lauwer­zee alleen zou de hooge water­stand slechts enkele dagen langer geduurd hebben. Het behoeft geen betoog, zeide spreker, dat de schade, die in die enkele dagen meer zou zijn geleden, in geen verhouding staat tot de extra kosten van het stoom­gemaal.

Tot het voorjaar 1903 zou de Lauwer­zee alleen geheel voldoende zijn geweest. In April 1903 zou de Lauwer­zee met behulp van een stoom­gemaal te Tacozijl den boezem op 28 April terug­gebracht hebben op 20 + Z.P. Zonder stoom­gemaal zou dit den 9 Mei zijn geschied. Overigens zou in de laatste 28 jaren voojaars nimmer de hulp van het gemaal noodig zijn geweest om den boezem bij tijds op peil te brengen.

Mij dunkt, zeide spreker, dat er geen sprake van kan zijn, dat het nut van een stoom­gemaal naast een ingedijkte Lauwer­zee in eenigszins aan­neme­lijke verhouding staat tot de enorme kosten.

Spreker geloofde dan ook, dat de Staten niet spoedig tot een combinatie van beide middelen zullen overgaan. Gedepu­teerde Staten in ieder geval lieten het gemaal vervallen en vroegen, evenals die van Groningen, alleen de indijking van de Lauwer­zee van de Regeering.

Wat Gedeputeerde Staten wenschen is: indijking der Lauwer­zee voor rekening van het Rijk; de provincie neemt dan op zich te zorgen voor de binnen­landsche kanalen. De kosten zijn voor de indijking na aftrek van de opbrengst der ingedijkte gronden berekend op ± ƒ 6.000.000, voor Friesland komt ± ƒ 1.500.000, en voor Groningen ƒ 600.000.

Het kanaal de Zwemmer, dat hu een profiel heeft van ongeveer 60 M2. krijgt een profiel, dat van 116 M2. bij de Bergumer­meer tot 170 M2 bij de Nieuwe­zijlen toeneemt.

Dit plan werd verder door spreker uiteengezet, een beschrij­ving van de indijking der Lauwer­zee gegeven enzovoort.

Wanneer dit plan wordt uitgevoerd, zal Friesland een oneindig betere afstrooming hebben dan nu het geval is. Berekend is, dat dan gemiddeld per dag door de Lauwerzee ± 5.000.000 M3. water kan worden afgevoerd, terwijl dit nu op ruim 2 millioen wordt geschat. Daar men bijna altijd zal kunnen stroomen, springt in het oog, dat deze verbetering op den algemeenen water­stand zeer gunstig zal werken. In perioden van buiten­gewonen regenval zal echter dit middel lang niet al het gevallen water kunnen loozen. Maar reeds is het gezegd, zeide spreker, stelt men dezen eisch aan de afstrooming, dan kost deze geen millioenen, maar tientallen van millioenen. Op 7 en 8 Augustus 1894 is berekend, dat op den boezem is gevallen 75 millioen M3. water; de boezem rees toen in een paar dagen van 26 tot 50 + Z.P.; op 4 en 5 October 1903 kwam op den boezem 56 millioen M3. water. Het behoeft geen betoog, dat het onmogelijk is zulke ernorme hoeveel­heden water in korten tijd te doen verdwijnen dan tegen ontzag­gelijke kosten.

De ingedijkte Lauwerzee zal, wanneer zij aan de verwachtingen beantwoordt, in staat zijn om het boezem­water veel sneller weg te voeren dan thans. Men mag aannemen, dat standen boven de 50 c.M. zoo goed als niet meer zullen voor­komen en dat in bijna alle jaren in de maand April tijdig de boezem op een gewenscht peil zal zijn terug­gebracht. Definitieve zekerheid is echter niet te geven en daarom zullen de buiten­landen, die men geheel wil vrijwaren tegen over­strooming, ingepolderd dienen te worden.

Dit Lauwerzee-plan is echter nog niet uitgevoerd, en de minister, die het opnieuw door den Rijks­water­staat laat onderzoeken, is tot de conclusie gekomen, dat de begrooting te laag is. In de zitting der Tweede Kamer van 9 December jongstleden heeft de minister zich zeer twijfel­achtig over dit plan uitgelaten en het schijnt, dat de minister meer gevoelt voor stoomgemalen.

Met stoomgemalen kan men natuurlijk het water kwijt worden. Men kan de capaciteit der werktuigen berekenen en dus vooraf juist nagaan, wat hun effect zal zijn. Een stoom­gemaal zou dan aan den zuidkant geplaatst moeten worden, waar­schijn­lijk tusschen Workum en Stavoren.

Nadat spreker een beschrijving had gegeven van het gemaal te Tacozijl, werden de voor- en nadeelen, welke een stoom­gemaal biedt, uiteen­gezet. Voordeel is, dat het plan veel gemakke­lijker en sneller uitvoer­baar is en dat men het water naar twee kanten loost, zoodat het water uit den Zuid­west­hoek niet den langen weg naar de Nieuwe­zijlen behoeft te door­loopen. Het groote nadeel is de dure exploitatie. Bouwt men een gemaal, dan zal dit minstens een capaciteit van 750 W. P. K. moeten hebben. Dit zal per dag gemiddeld 5 millioen M3 kunnen uitwerpen. Elken dag malen kost dan ongeveer ƒ 750 Kan men het water door afstrooming kwijt raken, dan kost dit, zijn eenmaal de sluizen gemaakt, niets meer; zoo zal in geval men tot stoom­bemaling overgaat zeer nauwkeurig nagegaan moeten worden, wanneer het gemaal zal moeten werken. Voor den zomer en het voorjaar wijst zich, dit vanzelf aan. Maar voor het najaar en den winter is de zaak moeilijker. Een water­stand van 40 cM. + Z.P. doet in den winter over het algemeen weinig schade; de eigenaars der buiten­landen weten, dat zij hun water toch niet kwijt kunnen worden dan door stroomen en leggen zich bij den toestand neer. Maar staat er nu een stoom­gemaal en het water staat bij­voorbeeld 40 + Z.P. omstreeks half October, dan zullen de eigenaars van buiten­landen graag nog wat water missen. Houdt het dan met regenen aan, dan kan het gemaal den boezem toch niet in evenwicht houden en zal men na eenige weken ophouden na eenige duizenden vergeefs in rook te hebben doen vervliegen.

Neemt men eenmaal aan, dat het stoom­gemaal altijd door zal werken, ook 's winters zoolang de boezem hooger staat dan bij­voorbeeld 20 + Z.P. dan komen de kosten enorm hoog. Bovendien is het mogelijk, dat na eenige weken malen de boezem ook door, stroomen op peil had kunnen worden gebracht, men zou dan gauw ƒ 40.000 of ƒ 50.000 in het water hebben gegooid. Voor 1903 berekende spreker 160 maaldagen, wat beteekent ƒ 120.000 boven de vaste exploitatie­kosten, waarbij men in aanmerking moet nemen, dat een dergelijk gemaal den waterstand nooit zal kunnen beheerschen. Elke centimeter beteekent, wanner de boezem hooger dan 45 + Z.P. staat, 6 millioen M3 water. Hoe dit echter ook zij — zeker is het, dat met behulp van stoom­gemalen de afstrooming van Friesland even goed is te helpen als door middel van een ingedijkte Lauwer­zee. Wat de voorkeur zal hebben, hangt niet geheel van de provincie of van het geweste­lijk bestuur af. Friesland en Groningen zijn gezamenlijk de actie voor betere afstrooming begonnen, we moeten dus, zeide spreker, met elkaars wenschen rekening houden. En eindelijk heeft niet in de laatste plaats de Regeering een woordje mede te spreken, waar voor het werk de hulp van het Rijk niet kan worden ontbeerd.

Jaarlijks int de provincie ongeveer 5 ton aan belas­tingen. Waar de indijking der Lauwer­zee nu geschat is op ƒ 13.000.000, spreekt het van zelf, dat dit werk de krachten der provincie te boven gaat.

Ten slotte zeide spreker, dat de zaak haar oplossing nadert. Is het antwoord van den minister ingekomen, dan schijnt mij de zaak rijp voor beslissing. Ik heb goeden moed op de toekomst Het schijnt mij, dat binnen afzien­baren tijd een besluit omtrent de afstrooming verwacht mag worden. Maar bij het woord van vertrouwen in de toekomst, moet ook een woord van waar­schuwing tegen over­dreven verwach­tingen geplaatst worden. Van de provincie is niet de definitieve verbetering van den water­staats­toestand te wachten; het nu levend geslacht moet op den weg voortgaan, die de beide generatiën welke ons voorgingen hebben bewandeld.

Onze vaders en grootvaders polderden ± 70.000 H.A. in, de nog restee­rende 28 à 30.000 H.A. moeten ook nog ingepolderd worden. Eerst dan geholpen door een sneller werkend middel om den boezem te ontlasten, zal de water­staat­kundige toestand, voor zoover de landbouw er bij betrokken is, goed genoemd kunnen worden.

Na nog de aandacht te hebben gevestigd op den invloed van de afsluiting der Zuiderzee op de afstrooming van Friesland, dat het zeker is. dat de afsluiting der Zuider­zee niet alleen voor de inlating maar ook voor de afstrooming van Friesland uiterst belangrijke gevolgen zal hebben en dat in ieder geval de toestand van den Frieschen boezem daar zoo door zal worden gewijzigd, dat met die wij­ziging beslist rekening moet worden gehouden bij het inrichten van andere afstroo­mings­middelen, hetzij stoom­gemalen of Lauwerzee-indijking, eindigde spreker zijn inleiding, de hoop en de verwachting uitsprekende, dat een aan­merkelijke verbetering van de afstrooming zijn beslag krijge in het jaar, dat wij op het punt staan in te treden.

Bronnen, noten en/of referenties

  1. De loozing van Friesland's boezemwater. (1909, 31 december) Leeuwarder courant, p. 7. Geraadpleegd op Delpher op 02-02-2024 van https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010598717:mpeg21:p007