Cruquius

Uit wiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Cruquius

Nicolaas Samuel Kruik was landmeter bij het Hoogheemraadschap van Delfland (Delft) en later bij het Hoogheemraadschap van Rijnland (Leiden). Kruik vond zijn naam niet langer passend bij zijn stand en maakte er een Latijnse naam van: Nicolaus Samuelis Cruquius. In zijn tijd was dat gebruikelijk.

De naam Cruquius is vooral bekend geworden door het stoomgemaal Cruquius als één van de drie stoomgemalen die de Haarlemmermeer heeft drooggemalen.

De twee andere stoomgemalen waren: Leeghwater en Lijnden.

De namen van de drie stoomgemalen zijn gekozen naar drie personen die van belang zijn geweest voor de waterhuishouding in Holland.

[[Bestand: Leeghwater

Jan Adriaanszoon Leeghwater werd in 1575 te De Rijp geboren. Hij was een Nederlandse molenmaker en bouwkundige. Hij bedacht de houten achtkant en de bovenkruiende oliemolen. Daarmee was het mogelijk de molen altijd recht in de wind te zetten, te kruien. Hij was betrokken bij vele droogmakerijen. Bovendien heeft hij geholpen bij het plaatsen van nieuwe uurwerken en carillons voor de Amsterdamse Zuidertoren en Westertoren. Hij is in 1650 te Amsterdam overleden.

Nikolaas Kruik werd in 1678 op West Vlieland geboren en overleed in 1754 in Spaarndam. Behalve zijn plan voor de droogmaking van de Haarlemmermeer is hij ook bekend geworden van het door hem vastleggen van meteorologische waarnemingen.
In 1705 begon hij hiermee. De waarnemingen zijn allemaal gedaan vanaf het Gemeenlandshuis van Rijnland in Halfweg.

Frans Godert van Lijnden van Hemmen werd in 1761 in 's Gravenhage geboren en overleed aldaar in 1845. In 1821 publiceerde hij zijn plan om de Haarlemmermeer droog te maken.

Het droogleggen van de Haarlemmermeer

De gedachte om de Haarlemmermeer droog te maken is niet nieuw,.
Leeghwater had zelf wel eens het plan opgevat om na de inpoldering van de Beemster, Purmer en Schermer ook de Haarlemmermeer maar droog te malen.
Een gedurfd plan voor zijn tijd, de zeventiende eeuw. Dat plan zou daarna nog vele keren aan de orde komen, maar ook even zovele keren geruisloos van tafel verdwijnen.

Toch knaagde er iets: het water nam bij iedere storm steeds een hap uit het veenland weg. Bij het minste of geringste zou het water tot voor de poorten van Amsterdam, Haarlem en Leiden kunnen staan.
Deze drie Hollandse steden voelden zich alleen al bij de gedachte niet meer veilig.

De grote overstroming van 1825 geeft dan min of meer de doorslag. De voorbereiding begint onder Koning Willem I, maar door zijn plotselinge overlijden is het Koning Willem II die toestemming geeft voor het ambitieuze project om de Haarlemmermeer droog te maken.

In een vrij laat stadium van de planontwikkeling wordt gesproken van stoombemaling, in alle eerdere plannen was nog steeds uitgegaan van windbemaling.
Uit het archief van de Commissie voor de Droogmaking blijkt, dat er tenminste zeventig poldermolens nodig zouden zijn. Dat woog zwaar mee bij het kostenaspect: behalve zeventig poldermolens zouden er ook zeventig molenaars nodig zijn. Poldermolens werken alleen als er voldoende wind staat. Bij de berekening van het rendement is dat aspect meegewogen bij het alternatief: drie stoomgemalen die altijd zouden kunnen werken waardoor de waterplas snel droog zou kunnen vallen.

Met dat doorslaggevende perspectief werd de Leeghwater in 1845 als eerste van de drie aan de zuidkant van de nieuwe polder gebouwd. Pas als de kinderziekten van dit gemaal verholpen zouden zijn, zouden de andere twee in aanbouw worden genomen. In Nederland is op dat moment nog nauwelijks ervaring met het bouwen van zulke grote stoomgemalen.
Engelse ingenieurs ontwerpen en bouwen de gemalen, de machinefabriek Van Fentener van Vlissingen in Amsterdam levert de machineonderdelen.

In 1847 gaat men ook de Cruquius en de Lijnden bouwen.
Op 28 juli 1847 wordt de eerste steen van de Cruquius gelegd, dat is een feestje waard. Een bescheiden feestje want de kosten bedragen slechts f 78,17. Het echte feest werd bij de Lijnden gevierd voor de som van f 242,79. Bij de Lijnden waren ook de notabelen aanwezig, het feest bij de Cruquius was 's avonds na werktijd. Voor beide uitgaven was een Koninklijk Besluit nodig, KB van 11 september 1847 nummer 81. De Cruquius wordt aan de Kruisvaart gebouwd en slaat het water aan de westzijde van de nieuwe polder uit op de Ringvaart en de Lijnden staat net als de Leeghwater aan, de latere Hoofdvaart maar dan aan, de noordzijde van de polder. De drie stoomgemalen beginnen in 1848 met het oppompen van water en slaan dat in de Ringvaart uit. Op het moment dat de stoomgemalen werden gebouwd waren het enorme grote gemalen. Nederland had nauwelijks ervaring met het bouwen van grote stoomgemalen, het gemaal aan de Arkelse Dam (Arkel) was één van de eerste stoomgemalen. Nadat de drie gemalen waren gebouwd en in werking waren gesteld zou Nederland geleidelijk aan overschakelen op stoombemaling. Over de capaciteit van de Cruquius: 2.500 m3 per minuut, ter vergelijking het Ir.D.F. Woudagemaal: maximaal 4.500 m3 per minuut (bij normaal gebruik is dat 4.000 m3 per minuut) en het J.L. Hooglandgemaal in Stavoren: maximaal 9.000 m3 per minuut. Het Woudagemaal wordt ruim zeventig jaar later in gebruik genomen en het Hooglandgemaal ruim een eeuw later. In de tussenliggende tijd heeft de techniek grote stappen voorwaarts gezet.

Het droogmalen van de Haarlemmermeer kon op bijval rekenen van de drie steden: Amsterdam, Haarlem en Leiden maar op weerstand van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het meer was het grootste boezemwater van het Hoogheemraadschap, da zou in één keer verloren gaan waardoor de afvoer van boezemwater naar het buitenwater in gevaar dreigde te komen. Rijnland kreeg hiervoor als compensatie twee nieuwe boezemgemalen: bij Halfweg en bij Katwijk. Bij Halfweg kwam het water op het IJ en bij Katwijk in de Noordzee.

De gedachte was dat de drie stoomgemalen binnen drie jaar van het meer een polder zouden hebben gemaakt. De praktijk is weerbarstig. Behalve dat er regelmatig onderhoud nodig is, blijkt het weer ook meer dan eens spelbreker te zijn. Bij een harde zuidwestenwind wordt het water zodanig opgestuwd dat de stoomgemalen er nauwelijks vat op hebben. Het vervangen van onderdelen zorgt ook voor stilstand en de laatste loodjes wegen het zwaarst. In het begin staat het water nog zo hoog dat het geen enkele moeite kost om water op te pompen en uit te slaan. Gaandeweg zakt het peil en moet er meer moeite worden gedaan om het water naar de stoomgemalen te halen, niet alleen het graven van de Hoofdvaart en de Kruisvaart is dan noodzakelijk ook het graven van dwarsverbindingen moet gebeuren. In 1852 wordt het bericht gepubliceerd dat de Meer is drooggevallen.

De functie van de stoomgemalen wordt nu een andere: zorgen dat het teveel aan water op tijd wordt afgevoerd. De drie gemalen blijven tot 1895 in gebruik. Dan wordt de Leeghwater als eerste van de drie gemoderniseerd. Na deze renovatie hebben de Leeghwater en de Lijnden voldoende capaciteit om de polder droog te houden. De Cruquius wordt ,,reservegemaal". Omdat de Cruquius steeds vaker stil blijft staan wordt er binnen het bestuur van het waterschap voorgesteld om de Cruquius te slopen. In 1934 krijgt het als eerste de bestemming van technisch museum omdat het KIVI in Den Haag het gebouw voor het symbolische bedrag van 1 gulden heeft gekocht en daarmee gered van de sloop. Het KIVI wil het gebouw na de ontmanteling openstellen voor publiek. De stoomketels zijn verdwenen.

Het bijzondere van de drie stoomgemalen is dat het opvoerwerktuig bestaat uit balansarmen waar aan de ene kant de pompen aan bevestigd zijn en aan het andere uiteinde de emmers die het water opscheppen en op de stortvloer brengen. Het hydrauliek is op 4 juni 2002 weer in werking gesteld door kroonprins Willem Alexander. Vrijwilligers van de Stichting Cruquius hebben het hydrauliek onder handen genomen en er voor gezorgd dat het mechanisch in beweging kon worden gebracht. De Cruquius zal nooit meer onder stoom gebracht kunnen worden. Van de oorspronkelijke Kruisvaart is een klein deel overgebleven, er kan op bescheiden wijze water opgepompt worden.

Het gebouw is in 2010 door Hendrick de Keijser (Amsterdam) overgenomen en gerestaureerd. In september volgde de feestelijke afronding van deze restauratie. Prof. mr. P. van Vollenhoven mocht in september 2011 de gerestaureerde schoorsteen weer zichtbaar maken. Deze was terug gerestaureerd naar de schoorsteen van 1847.

Tijdens de bouw was bezoek aan het stoomgemaal mogelijk en ook als het gemaal voor onderhoud stilstond kon er een bezoek worden gebracht. Bij een werkend gemaal was bezoek slechts bij hoge uitzondering mogelijk, mede vanwege de beperkte ruimte en dan nog alleen na toestemming van de hoofd-ingenieur van het waterschap. Men was wijs geworden door de ervaring dat het publiek ook gaat waar het niet gaan mag, dat heeft een dodelijk slachtoffer tot gevolg gehad. Deze persoon wilde graag van, zeer, nabij eens zien hoe het hydrauliek werkte... .

Nadat de Leeghwater in 1895 omgebouwd was van stoom naar diesel verdwenen een aantal karakteristieke elementen uit het gemaal: de ketels en de schoorsteen. Het gebouw werd aangepast aan de nieuwe machines. Hierdoor is de Leeghwater veel minder karakteristiek gebleven dan de Cruquius en de Lijnden die wel in hun oorspronkelijke vorm bewaard zijn gebleven. Bij de Lijnden is een nieuw gemaal geplaatst, dit is weggewerkt in de dijk van de Haarlemmermeer waardoor vanuit de polder de Lijnden beeldbepalend is gebleven. Ten noorden van de Cruquius is het gemaal Koning Willem I gebouwd. Dat de Haarlemmermeerpolder inklinkt wordt duidelijk uit de diepte waarop in 1848 werd gemalen: 4,5 meter en de lengte van de vijzel van het nieuwe gemaal: 5,5 meter.

bron: Corpus Cruquius, 160 jaar stoomgemaal De Cuquius, Zutphen 2007, met cd-rom.