Stoomgemaal

Een gemaal verzorgt op mechanische wijze het omhoogbrengen van overtollig water uit het te bemalen gebied en daaropvolgend de afvoer van het water uit dat gebied. Een gemaal omvat daarom een opvoerwerktuig en een aandrijfwerktuig. Een stoomgemaal is een gemaal dat door een stoommachine wordt aangedreven. Zowel de opvoerwerktuigen als de stoommachines van stoomgemalen kunnen op basis van de toegepaste technieken verder worden onder verdeeld.

Historie van stoomgemalen

Stoomgemalen zijn in Nederland in gebruik vanaf het eind van de 18e eeuw. In Nederland bestond er bij de waterschappen aanvankelijk weinig vertrouwen in de mogelijkheden van de stoomtechniek om bij de bemaling te worden ingezet. De stoomtechniek was vooral in Engeland ontstaan vanwege de behoefte om bodemwater uit de Engelse mijnen (Cornwall)te kunnen pompen. De eerste stoommachines werkten met een balansconstructie: de stoommachine was aan de ene kant van de balans opgesteld en bracht de balans in een op- en neergaande beweging, de pomp die diep in de mijn was ingebracht was verbonden met de andere kant van de balans en verrichtte zijn werk door diezelfde beweging. De nederlandse waterschappen vonden de verticale beweging eigenlijk moeilijk te combineren met een draaiende beweging die men bij bemaling gewend was (windmolens).

Particulier initiatief

Een particulier genootschap, genaamd Bataafs Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte (1771), waarvan de leden in Engeland overtuigd waren geraakt van de mogelijkheden van de stoomtechniek, diende daarom een plan in bij de gemeente Rotterdam om een stoompomp te plaatsen. Hoewel er veel bestuurlijk weerstand moest worden overwonnen, werden er tussen 1774 en 1781 toch proeven genomen met een Newcomen atmosferische stoommachine en een daarvoor zelfontwikkelde zuigerpomp. Deze installatie was niet succesvol en de proef werd beëindigd. Eén van de leden van het genootschap, Rinze Lieuwe Brouwer, wilde een vervolg aan het idee geven en hij bouwde op verzoek van een bankier op diens landgoed Groenendaal in Heemstede een stoompomp om de waterstand in de vijvers op peil te houden. Deze opstelling bleek een succes te zijn. Brouwer legde na dit succes contact met James Watt in Engeland en ontmoette in Nederland de nodige medestanders. medestanders. Uiteindelijk leidden de gezamenlijke inspanningen ertoe dat in 1787 in de Blijdorpse polder ten noorden van Rotterdam het eerste stoomgemaal werd gebouwd en ingezet.

Bloeitijd

De bloeitijd van stoomgemalen ligt in de 19e eeuw. Ze vervingen de molengangen met windmolens en maakten de aanpak van grotere projecten mogelijk. De overstromingen van 1825 gaven een extra nieuwe impuls. De reusachtige stoomgemalen 'Gemaal Leeghwater' (1846), 'Gemaal Cruquius' en 'Gemaal Lijnden' (beide 1849) maalden tussen 1849 en 1852 de Haarlemmermeer leeg. Het inpolderen van het meer maakte de bouw van de stoomgemalen 'Spaarndam' (1846) en 'Halfweg' (1853) noodzakelijk. Toch waren er in 1855 nog maar 13 stoomgemalem, met in totaal 16 stoommachines in gebruik.

In de tweede helft van de 19e eeuw vond de grootste groei plaats van het aantal stoomgemalen. Ook de diversiteit van de inzet en de daarbij toegepaste techniek nam toe. Omstreeks 1900 waren er ongeveer 500 stoomgemalen in Nederland in gebruik gesteld. De bedrijfsgebouwen en bijbehorende woningen vertoonden vaak een kenmerkende architectuur: die sloot zich aan bij de heersende trends van bouwtrant bij fabrieks- en bedrijfsgebouwen, neogotische of neorenaissancestijl. Naar het einde van de eeuw komt de bouwstijl van gemalen ook onder invloed te staan van bijv. de Jugendstil, uitlopend in een meer eclectische bouwstijl. De stoomgemalen tonen ook bijzonder veel variaties in de bouw en aard van de stoommachines en opvoerwerktuigen, die uiteraard parallel lopen met de kennisontwikkeling van techniek en materialen. In de loop van de 19e en 20e eeuw zorgt de vernieuwing van de stoomtechniek weliswaar voor een toenemend rendement, maar zo langzamerhand wordt in de 20e eeuw daarbij wel het plafond bereikt. Toepassingen als "oververhitte stoom" en "gelijkstroomprincipes" kunnen omstreeks 1920, als het Woudagemaal wordt gebouwd, gezien worden als de laatste ontwikkelingen van stoomtechniek.

Einde van een tijdperk

In de 20e eeuw zijn veel stoomgemalen omgebouwd tot dieselgemaal of uiteindelijk gesloopt.

De thans nog bestaande stoomgemalen in Nederland worden veelal bewaard als monument:

  • Het Stoomgemaal Halfweg|stoomgemaal bij Halfweg (1852) is het oudste nog werkende stoomgemaal.
  • Het stoomgemaal Gemaal Cruquius, ooit het grootste stoomgemaal ter wereld, bezit geen stoomketels meer en is ingericht als museum. Sinds 2002 wordt de stoommachine van het gemaal door een hydraulisch systeem aangedreven, waardoor de acht zuigerpompen weer werken.
  • Het Ir. D.F. Woudagemaal nabij Lemmer (1920) is met een debiet van 4 miljoen liter water per minuut het grootste nog werkende stoomgemaal ter wereld en staat op de Werelderfgoedlijst van de Unesco.
  • Het stoomgemaal Mastenbroek op de Kamperzeedijk bij Zwartewaterland (1856)
  • Het stoomgemaal Hertog Reijnout (1883) bij Nijkerk
  • Het Putter Stoomgemaal (1886) bij Putten (Gelderland)
  • Het stoomgemaal De Tuut (1918) bij Appeltern
  • Het stoomgemaal Winschoten (1895) bij Winschoten
  • Het stoomgemaal Vier Noorder Koggen (1907) bij Medemblik (stad) werkt nog steeds. Hier is het Nederlands Stoommachine Museum gevestigd.