Sluizen

In Nederland kennen we verschillende soorten sluizen

1: Schutsluis 2: spuisluis

1: SchutsluisDe schutsluis wordt vooral gebruikt om het scheepvaartverkeer van een lager naar een hoger punt (of omgekeerd) te brengen. Omdat er sprake is van een peilverschil aan de ene kant en aan de andere kant van de sluis is het nodig om een schip te schutten.

Vlak naast het bezoekerscentrum van het ir. D.F. Woudagemaal bevindt zich het Prinses Margrietkanaal met het peilverschil tussen de Friese Boezem (- 0.52 cm NAP) en het IJsselmeer ( -0.20 cm NAP). Het schip kan via de sluis deze 30 centimeter peilverschil overbruggen.

Omdat Friesland één boezemsysteem heeft kan het scheepvaartverkeer zonder verdere schutsluizen doorvaren naar Gaarkeuken. Bij Gaarkeuken gaat het Friese boezemwater ( -0.52 cm NAP) over in het boezempeil van het waterschap Noorderzijlvest met een peil van - 0.97 cm NAP. Omdat het water in het Van Starkenborghkanaal aanzienlijk lager staat dan in het Prinses Margrietkanaal is het nodig om een dam aan te leggen.

Eertijds was de passageplaats ook echt een dam, denk in dit verband aan de Overtoom in Amsterdam waar de toen nog kleine schepen via een scheepslift over de ,,toom" werden getakeld. Er lag dus op de scheiding van twee belangrijke boezemsystemen een dam. Uit praktisch oogpunt is dat niet langer werkbaar en kwam de sluis daar voor in de plaats.

Ook bij de Broekerhaven (bij Grootebroek en ten westen van Enkhuizen) in West Friesland is nog steeds een scheepshelling in gebruik.

Het schip of vaak meerdere schepen varen de sluiskom in, waarna de sluisdueren gesloten worden. Dit is het moment om het waterpeil in de sluiskom op gelijke hoogte te brengen met de richting waarin gevaren gaat worden. Dit kan door het water uit de sluiskom te laten stromen, bijvoorbeeld als het schip vanuit het Prinses Margrietkanaal ( - 0.52 cm NAP) naar het IJsselmeer ( - 0.20 cm NAP) gaat varen. De sluiskom wordt dan geleidelijk aan op gelijke hoogte van het peil van het IJsselmeer gebracht. Er wordt water vanuit het IJsselmeer ingelaten en het schip stijgt 32 cm. Als dat peil bereikt is dan gaan de sluisdeuren aan de zijde van het IJsselmeer open en kan het schip de sluis verlaten.

Omgekeerd als het schip vanuit het IJsselmeer naar het Prinses Margrietkanaal wil varen dan wordt de sluisdeur gesloten zodra het schip in de sluiskom is gevaren. Dan wordt er geleidelijk water uit de kom gelaten in het Prinses Martgrietkanaal om het hoogteverschil van -0.20 cm (IJsselmeer) naar -0.52 cm NAP (Prinses Margrietkanaal) te overbruggen (het schip zakt 32 cm.)

2: Spuisluis Bij de spuisluis werkt het eenvoudiger. Omdat er geen scheepvaartverkeer gebruik maakt van een spuisluis is het principe wat eenvoudiger. Zodra de waterstand op het buitenwater lager is dan op het binnenwater kan het overtollige water gespuid worden. De meest bekende spuisluis is die bij Lauwersoog. Afwateren van water via een spuisluis kan alleen bij een natuurlijk getijdeverschil: eb.

Omdat natuurlijke lozing van water in januari 2012 bij Lauwersoog op de Waddenzee niet mogelijk was door een combinatie van harde wind en opgestuwd water in de Waddenzee was het noodzakelijk om de twee boezemgemalen: J.L. Hooglandgemaal in Stavoren en uiteindelijk ook het ir. D.F. Woudagemaal in te zetten om aan de zuidzijde van het boezemsysteem het water langs mechanische weg af te voeren.

Voordat het Lauwersmeer er was en er nog sprake was van de Lauwerszee waren de Dokkumer Nieuwe Zijlen van groot belang voor het spuien van overtollig water uit de Friese boezem. Indirect vervullen de Dokkumer Nieuwe Zijlen nog steeds een belangrijke rol omdat het water vanuit de boezem op het Lauwersmeer wordt gespuid. Het Lauwersmeer dient als belangrijke buffer tussen boezem en buitenwater (Waddenzee).

Water afvoeren door middel van een natuurlijk hoogteverschil is goedkoper een eenvoudiger dan met behulp van mechanische werking door middel van een gemaal, voorheen een poldermolen.