Brandstoffen, eigenschappen en Verbrandingswaarde en Prinses Margrietkanaal: verschil tussen pagina's

Uit Wouda's Wiki
(Verschil tussen pagina's)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
imported>Jan Pieter Rottine
 
imported>Jan Pieter Rottine
 
Regel 1: Regel 1:
(Deze tekst is nog in bewerking)
Het '''Prinses Margrietkanaal''' is de '''belangrijkste vaarverbinding tussen de sluizen bij [[Lemmer]], door [[Fryslân]] naar de sluizen bij [[Gaarkeuken]].''' Het kanaal loopt '''door het [[Sneekermeer]], de [[Pikmeer]] en de [[Bergumermeer]]'''.


=='''verbranding'''==
Het '''Prinses Margrietkanaal''' is de s'''nelste route voor binnenschepen die van [[Amsterdam]] naar [[Delfzijl]]''' willen varen en daarbij van het '''[[IJsselmeer]]''' gebruik maken.
<br>Bij de sluizen van '''[[Lemmer]]''' worden de schepen geschut en komen dan op de '''[[boezem]]''' van''' [[Fryslân]]''', het peil is tot aan''' [[Gaarkeuken]]''' steeds - 0.52 cm NAP. Onderweg zijn er geen sluizen meer.


In het dagelijks leven is men gewend, om alles wat zich onder sterke warmteontwikkeling en gepaard gaande met lichtverschijnselen met de zuurstof uit de lucht kan binden, dus '''alles wat wil branden en waarvan de prijs laag genoeg is''' om ze met het voordeel van warmteontwikkeling voor technische doeleinden te benutten, tot '''brandstoffen''' te betitelen.
Pas '''bij [[Gaarkeuken]]''' varen de schepen de boezem van het waterschap '''[[Noorderzijlvest]]''' binnen met een lager peil: -0.93 cm NAP. '''Vanaf Gaarkeuken tot aan de sluizen bij Oosterhoogebrug heet het kanaal: Van Starkenborghkanaal'''. Aan de oostkant van de stad Groningen ligt ook een sluis en dan gaat het '''via het [[Eemskanaal]] naar [[Delfzijl]]'''.


<br>[[Bestand:Turf_stoken_wiki.jpg|300x225px|link=]]
De vaarroute wordt opgewaardeerd tot klasse V, dat wil zeggen dat er steeds grotere containerschepen zullen gaan varen. Enkele belangrijke knelpunten zullen worden aangepakt: bochten worden rechtgetrokken of bruggen zullen worden vervangen.
'''Turf als brandstof'''
<br>(foto wikipedia)


De aanleg van het kanaal begon al medio 1930 en zou pas in 1951 zijn voltooid. Soms wordt er gebruik gemaakt van oude bestaande kanalen die dan op breedte en diepte zijn gebracht.


'''Andere brandbare stoffen''' die voor andere doeleinden gebruikt kunnen worden, worden natuurlijk '''niet tot de brandstoffen gerekend'''. Niemand zal edele houtsoorten, kunststoffen en textiele stoffen brandstoffen noemen.
Met name het gedeelte tussen het tolhuis van Zuidhorn waar het Hoendiep nu in het Van Starkenborghkanaal stroomt tot aan Gaarkeuken was de bestaande vaarverbinding tussen Groningen en Leeuwarden die al in de 16e eeuw was gegraven. Ook in Friesland is gebruik gemaakt van meren en plassen waardoor het niet nodig was om het hele kanaal opnieuw te graven.  


De '''brandstoffen''' die '''voor het stoken van stoomketels''' in aanmerking komen '''zijn: hout (houtafval en zaagsel), stro, turf, bruinkolen, steenkolen, cokes, antraciet (kolengruis, kolenstof), olie (vooral ruwe olie, mazoet, astatki), lichtgas, hoogovengassen, aardgas'''.
Inmiddels is deze vaarverbinding in handen van Rijkswaterstaat. De route is vooral bedoeld voor de beroepsscheepvaart, gelet op de omvang van de schepen en de verwachting dat er steeds meer containerschepen zullen gaan varen maakt het noodzakelijk om alternatieven aan te bieden voor de pleziervaart.


<br>[[Bestand:Ingang_ketelh_a_(2).JPG|300x214px|link=]]
Het Prinses Margrietkanaal is van zeer groot belang voor de waterhuishouding in Friesland. Het is één van de boezemwateren waar het water vanuit de polders op wordt gebracht door middel van poldergemalen.  
'''Stoken met houtafval'''
Naast het Prinses Margrietkanaal zijn de grote meren ook onderdeel van de boezem van Friesland.


Bij een teveel aan water zorgt dit kanaal er voor dat het water wordt afgevoerd naar het ir. D.F. Woudagemaal, als dit in werking is gesteld dan slaat het gemaal het overtollige water uit op het IJsselmeer.
De aanvoer gaat via het Prinses Margrietkanaal en iets ten zuiden van de Grote Brekken is tijdens de bouw van het gemaal een speciaal aanvoerkanaal naar het gemaal gegraven.


De '''hoofdbestanddelen''' van deze brandstoffen zijn: '''koolstoffen, waterstof en zuurstof'''. Soms komt er in kleine hoeveelheden '''zwavel''' voor, maar altijd bevatten de brandstoffen meer of minder onbrandbare aardachtige substanties, die bij de verbranding in de vorm van '''as (sintels en slakken)''' overblijven.
Welke route er voor de afvoer van het overtollige water wordt gekozen hangt af van de windrichting. Bij een wind uit het zuidwesten zal het water bij Dokkumer Nieuwe zijlen worden afgevoerd op het Lauwersmeer en bij een noordwesten wind zal het water in eerste instantie via het Prins Johan Frisokanaal naar het Hooglandgemaal bij Stovoren worden uitgeslagen op het IJsselmeer. Het Prins Johan Frisokanaal gaat naar de Fluessen en vanaf dat meer zijn er twee verbindingen (de Jeltesloot en de Wellesloot) met het Koevordermeer waar het Prinses Margroetkanaal ook door heenloopt.
 
Als het Hooglandgemaal de hoeveelheid water niet alleen weg kan pompen dan wordt het ir. D.F. Woudagemaal opgestart.
'''Bij verbranding verbindt de koolstof zich met zuurstof tot kooloxide, of tot koolzuur'''. Bij de verbinding tot '''koolzuur''' komt '''de meeste warmte''' vrij, daarom noemt men dit '''volledige verbranding'''. De verbinding tot '''kooloxide''' wordt '''onvolledige verbranding''' genoemd.
 
Omdat de '''buitenlucht''', de atmosfeer, '''ongeveer voor een kwart uit zuurstof bestaat''', is er voor het verbrandingsproces 4,3 maal zoveel lucht nodig als de vereiste hoeveelheid zuurstof.
 
<br>[[Bestand:Ketelhuis 1891 (2).jpg|287x400px|link=]]
'''Luchttoevoer via de klep in de vuurdeur'''
 
 
In de vuurhaard van stoomketels''' is er als gevolg van '''een onvolkomen vermenging van de lucht met de brandstof''' in werkelijkheid nog '''veel meer lucht nodig'''. Daarom is er eerder ongeveer 8 keer zoveel lucht nodig om de juiste hoeveelheid zuurstof in de vuurhaard te verwerken.
 
'''Bij de beoordeling van de brandstof zijn twee factoren belangrijk''':
<ul> 
<li>de '''warmtehoeveelheid''', uitgedrukt in calorieën, die vrijkomt
<li>de '''temperatuur''', uitgedrukt in de graden van de thermometer, bij de verbranding
</ul>
 
'''Bij de verbranding''' van een bepaalde hoeveelheid brandstof '''kan de ontwikkelde warmtehoeveelheid bij een lagere verbrandingstemperatuur groter zijn dan bij hogere temperatuur'''. Deze beide grootheden kunnen dus niet uit elkaar worden afgeleid. Ze moeten afzonderlijk van elkaar worden bepaald.
 
De '''warmtehoeveelheid hangt alleen af van de volkomenheid van de verbranding''', de''' temperatuur is voor het grootste deel afhankelijk van de hoeveelheid toegevoerde lucht'''. Als er door de vuurhaard helemaal geen warmte naar buiten zou worden afgegeven, dan zou alle vrijgekomen warmte een verhoging van de temperatuur van de verbrandingsproducten bewerkstelligen.
 
In werkelijkheid zal er sprake zijn van '''uitstraling en geleiding''', maar vaak ook van '''onvolkomenheid van de verbranding'''. Daarom zal '''de temperatuur in de vuurhaard in de praktijk behoorlijk lager''' blijven dan de theoretisch haalbare temperatuur.
 
Alle brandstoffen eisen '''een zekere minimum temperatuur om te kunnen ontvlammen''' maar ook '''om daarna te blijven branden'''. Voor de meeste brandstoffen bedraagt deze minimumtemperatuur ongeveer 500 gr. C.
Als de temperatuur door''' overmatige luchttoevoer''' beneden deze grenzen daalt, zal '''het vuur uitgaan'''.
Zo vermindert het vuur van een stoomketel, als men de vuurdeuren helemaal openzet. (vergelijk het uitblazen van een kaars)
 
Toch hangt '''het effect van de warmte''' meer af van '''de manier waarop die warmte gebruikt wordt'''. Zo is het ook van belang hoe men de warmtehoeveelheid in de vorm van hete rookgassen langs de ketel leidt en hoeveel warmte er aan het ketelwater kan worden afgegeven.
 
Bij de '''verschillende keteltypes''' is het van belang door proeven en ervaring vast te stellen '''wat de voordeligste luchthoeveelheid per type is'''. Voor iedere brandstof en voor iedere roosterconstructie zal een bepaalde luchthoeveelheid ideaal zijn.
'''Deze luchthoeveelheid kan worden geregeld door de trekschuif''' in het afvoerrookkanaal naar de schoorsteen. De '''ervaring van de stoker is hier van grote betekenis'''.
 
<br>[[Bestand:Vuur_a.JPG|290x400px|link=]]
'''Stoker aan het werk, hier wordt houtafval gestookt met toevoeging van spaanders met behulp van een mechanische werpstoker'''
 
=='''brandstoffen'''==
 
==='''hout, houtskool,stro'''===
De samenstelling van de '''verschillende houtsoorten''' is voor een groot deel afhankelijk van de '''graad van vochtigheid'''. De '''werkelijke houtmassa bedraagt 75 tot 50% van het totale gewicht'''. Hout (afvalhout en spaanders) is geschikt als brandstof bij het stoken van stoomketels.
 
<br>[[Bestand:Houtskool.jpg|200x141px|link=]]
'''Houtskool'''
<br>(foto: wikipedia)
 
 
'''Houtskool''', dat men door verkoling uit verschillende houtsoorten verkrijgt, heeft '''als brandbare stof ongeveer 87 % koolstof''', de rest is onbrandbaar.
Voor het stoken van de stoomketels komt '''houtskool vanwege de prijs niet in aanmerking''', '''stro''' wordt in enkele gevallen gebruikt '''als brandstof voor locomobielen'''.
In de laatste oorlogsjaren van 1943-1945 wordt stro '''ook gebruikt in enkele stoomgemalen in Friesland''' bij wijze van noodmaatregel.
 
<br>[[Bestand:Turf_wiki.jpg|300x225px|link=]]
'''Turf'''
<br>(foto: wikipedia)
 
 
==='''turf'''===
De waarde van '''turf als brandstof is zeer verschillend'''. De geschiktheid hangt helemaal af van de kwaliteit van de turf, waarbij de plaats van oorsprong en de droging medebepalend is.
Gerekend vanaf het moment van turfsteken heeft turf '''ongeveer 60 % koolstof'''. '''Geperste turf''' heeft een '''hogere verbrandingswaarde''' dan natuurlijke turf omdat die veel droger en vaster is.
De turf uit Groningen en Friesland is '''meestal goedkoper dan steenkolen'''.
 
<br>[[Bestand:Bruinkool.jpg|400x253px|link=]]
'''Opslag van houtafval en bruinkool voor gebruik in het ketelhuis'''
<br>(foto Tresoar)
 
==='''bruinkolen'''===
Ook bij de bruinkolen kent men '''verschillende kwaliteiten en soorten''': de houtachtige bruinkool is kwalitatief beter dan de aardachtige.
Bruinkool wordt bijna altijd aangevoerd vanuit de '''bruinkoolvelden in Duitsland'''.
Omdat bruinkolen '''bij het bewaren uitdrogen en uit elkaar vallen''' is het gewenst om die '''meteen na aanvoer''' met nog een groot watergehalte te gaan '''gebruiken'''.
Vaak worden bij het stoken met bruinkool bijzondere roostervormen gebruikt, bijvoorbeeld traproosters.
 
<br>[[Bestand:Bruinkoolbriketten.jpg‎|288x300px|link=]]
'''Bruinkoolbriketten, geperste bruinkool'''
<br>(foto:wikipedia)
 
 
==='''steenkolen en cokes'''===
De samenstelling van de steenkolen kan sterk '''afhankelijk zijn van de plaats van oorsprong''' met de bijbehorende kenmerken. De '''kwaliteit en eigenschappen''' van betreffende steenkolen worden daardoor volledig bepaald. Hierbij speelt '''de hoeveelheid vrije waterstof''' een grote rol.
 
[[Bestand:IMG_0619_ketels_de_tuut_a.jpg|300x200px|link=]]
'''Stoken met steenkool'''
 
 
'''Antraciet''' kent '''een laag percentage aan vrije waterstof''' en daarbij is het '''water- en asgehalte klein'''.
Deze kolensoort heeft ongeveer dezelfde eigenschappen als zuivere koolstof en '''brandt dus ook zonder vlam en zonder aan elkaar te bakken'''.
 
'''Magere steenkolen en zandkolen''' hebben ongeveer dezelfde eigenschappen, maar ze kennen meer chemisch gebonden water.
 
Als het''' gehalte vrije waterstof toeneemt''' verbranden deze steenkolen '''met een lange vlam''', ze worden bij het verbranden week en '''bakken meer samen'''. Men noemt ze dan '''sintelkolen'''.
 
Het '''grootste gehalte aan vrije waterstof''' bezitten de '''bakkolen of vette steenkolen''', die '''geschikt zijn voor de gasfabricage en voor de vorming van cokes'''.
 
Bij '''slechte kolensoorten is het asgehalte groter'''. De uit steenkolen verkregen cokes is voor het stoken van stoomketels minder geschikt. '''Cokes''' wordt wel gebruikt '''voor het stoken van tramlocomotieven''', waar rook zoveel mogelijk moet worden vermeden.
 
9
 
==='''lichtgas en olie'''===
'''Lichtgas wordt verkregen door distillatie uit steenkolen'''. Het is geschikt als '''brandstof voor stoomketels''', die kleine stoommachines van stoom voorzien en voor gasmachines.
 
'''Aardolie''' wordt oorspronkelijk alleen gebruikt in de streken waar het gevonden wordt, omdat het vervoer dan nog te duur is. Natuurlijk wordt aardolie ook gebruikt als brandstof voor dieselmotoren.
De '''ruwe aardolie''' of '''de stookolie, het residu dat overblijft nadat andere olieproducten uit de aardolie zijn gewonnen''', worden '''steeds meer als brandstof voor stoomketels''' gebruikt.
Tegenwoordig wordt zware stookolie '''gebruikt voor de stoomvorming in de industrie, bij nutsbedrijven en in de zeescheepvaart'''. Ook wordt zware stookolie gebruikt voor de dieselmotoren van zeeschepen.
 
10
 
==='''Aardgas'''===
Sinds de gaswinning na 1960 in ons land een grote vlucht neemt, wordt er, naast het gebruik door particulieren, ook veel aardgas gebruikt in de industrie en bij de opwekking van elektriciteit. De aardgas wordt ingezet als brandstof bij stoomketels voor de stoomturbines.
 
11
 
'''(Bij het samenstellen van de tekst is gebruik gemaakt van:
<br>De Gids voor Machinisten, door E.F. Scholl, Leiden 1903)'''

Versie van 6 nov 2013 23:48

Het Prinses Margrietkanaal is de belangrijkste vaarverbinding tussen de sluizen bij Lemmer, door Fryslân naar de sluizen bij Gaarkeuken. Het kanaal loopt door het Sneekermeer, de Pikmeer en de Bergumermeer.

Het Prinses Margrietkanaal is de snelste route voor binnenschepen die van Amsterdam naar Delfzijl willen varen en daarbij van het IJsselmeer gebruik maken.
Bij de sluizen van Lemmer worden de schepen geschut en komen dan op de boezem van Fryslân, het peil is tot aan Gaarkeuken steeds - 0.52 cm NAP. Onderweg zijn er geen sluizen meer.

Pas bij Gaarkeuken varen de schepen de boezem van het waterschap Noorderzijlvest binnen met een lager peil: -0.93 cm NAP. Vanaf Gaarkeuken tot aan de sluizen bij Oosterhoogebrug heet het kanaal: Van Starkenborghkanaal. Aan de oostkant van de stad Groningen ligt ook een sluis en dan gaat het via het Eemskanaal naar Delfzijl.

De vaarroute wordt opgewaardeerd tot klasse V, dat wil zeggen dat er steeds grotere containerschepen zullen gaan varen. Enkele belangrijke knelpunten zullen worden aangepakt: bochten worden rechtgetrokken of bruggen zullen worden vervangen.

De aanleg van het kanaal begon al medio 1930 en zou pas in 1951 zijn voltooid. Soms wordt er gebruik gemaakt van oude bestaande kanalen die dan op breedte en diepte zijn gebracht.

Met name het gedeelte tussen het tolhuis van Zuidhorn waar het Hoendiep nu in het Van Starkenborghkanaal stroomt tot aan Gaarkeuken was de bestaande vaarverbinding tussen Groningen en Leeuwarden die al in de 16e eeuw was gegraven. Ook in Friesland is gebruik gemaakt van meren en plassen waardoor het niet nodig was om het hele kanaal opnieuw te graven.

Inmiddels is deze vaarverbinding in handen van Rijkswaterstaat. De route is vooral bedoeld voor de beroepsscheepvaart, gelet op de omvang van de schepen en de verwachting dat er steeds meer containerschepen zullen gaan varen maakt het noodzakelijk om alternatieven aan te bieden voor de pleziervaart.

Het Prinses Margrietkanaal is van zeer groot belang voor de waterhuishouding in Friesland. Het is één van de boezemwateren waar het water vanuit de polders op wordt gebracht door middel van poldergemalen. Naast het Prinses Margrietkanaal zijn de grote meren ook onderdeel van de boezem van Friesland.

Bij een teveel aan water zorgt dit kanaal er voor dat het water wordt afgevoerd naar het ir. D.F. Woudagemaal, als dit in werking is gesteld dan slaat het gemaal het overtollige water uit op het IJsselmeer. De aanvoer gaat via het Prinses Margrietkanaal en iets ten zuiden van de Grote Brekken is tijdens de bouw van het gemaal een speciaal aanvoerkanaal naar het gemaal gegraven.

Welke route er voor de afvoer van het overtollige water wordt gekozen hangt af van de windrichting. Bij een wind uit het zuidwesten zal het water bij Dokkumer Nieuwe zijlen worden afgevoerd op het Lauwersmeer en bij een noordwesten wind zal het water in eerste instantie via het Prins Johan Frisokanaal naar het Hooglandgemaal bij Stovoren worden uitgeslagen op het IJsselmeer. Het Prins Johan Frisokanaal gaat naar de Fluessen en vanaf dat meer zijn er twee verbindingen (de Jeltesloot en de Wellesloot) met het Koevordermeer waar het Prinses Margroetkanaal ook door heenloopt. Als het Hooglandgemaal de hoeveelheid water niet alleen weg kan pompen dan wordt het ir. D.F. Woudagemaal opgestart.