Brandstoffen - Algemeen

Uit wiki

Versie door Bert Lems (Overleg | bijdragen) op 31 mrt 2019 om 22:27

Ga naar: navigatie, zoeken

(deze tekst is in bewerking april 2019)

Bij de opwekking van energie door middel van machine-installaties worden vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruikt.
Vloeibare en gasvormige brandstoffen kunnen op directe wijze worden benut (in olie- en gasmotoren), maar ook indirect (onder stoomketels).
Vaste brandstoffen zijn alleen indirect voor de opwekking van energie/arbeid in te zetten (onder stoomketels en in de generatoren van gasmotoren)

Als vaste brandstoffen voor het vroegere stoombedrijf noemen wij: steenkool, bruinkool, briketten uit bruinkool en steenkool, cokes, kolenpoeder, turf, houtafval (stukken, spaanders en zaagsel), stro, run (in leerlooierijen), ampas en ander afval. Kortom: alles dat voor verbranding in aanmerking kwam.

545×368px In het stoomtijdperk draaide alles op een veelheid aan geschikte brandstoffen

De vloeibare brandstoffen bestonden voor het stoombedrijf uit: ruwe aardolie (naphta en ruwe olie), maar ook de distillatieproducten hiervan, zoals petroleum, benzine, gasoline en overblijvende resten: masuut genoemd.
Steenkoolteer leverde via distillatie op: 40% zware en 10% lichte olie op, daarnaast 50% pek.
Uit zware olie haalde men creosootolie, salarolie, gasolie en anthraceenolie.
Uit lichte olie verkreeg men nog benzol, steenkoolbenzine en ergin.
Uit bruinkoolteer was bruikbaar: salarolie, gasolie en paraffine-olie.
Verder kwam nog spiritus in aanmerking.

De gasvormige brandstoffen kwamen weer uit een andere bedrijfstak: hoogovengas, lichtgas, generatorgas (uit cokes, anthraciet, bruinkool, briketten, turf en later (in de Tweede Wereldoorlog) ook hout. Op sommige plaatsen werd aan de oppervlakte natuurgas gewonnen (methaangas).


(Samenvatting uit: Het Stoombedrijf, deel 1 Beknopte handleiding bij de studie van het geheele stoomwezen voor machinisten en studeerenden, door Nanno A. Imelman Ae. E. Kluwer - Deventer 1932)