Brandstoffen - Algemeen: verschil tussen versies

Uit wiki

Ga naar: navigatie, zoeken
Regel 1: Regel 1:
 
(deze tekst is in bewerking)
 
(deze tekst is in bewerking)
  
(deze tekst is in bewerking)
+
Bij de '''opwekking van energie''' door middel van machine-installaties worden '''vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen''' gebruikt.
 +
<br>'''Vloeibare en gasvormige''' brandstoffen kunnen '''op directe wijze''' worden benut (in olie- en gasmotoren), maar '''ook indirect''' (onder stoomketels).
 +
<br>'''Vaste brandstoffen''' zijn '''alleen indirect''' voor de opwekking van energie/arbeid in te zetten (onder stoomketels en in de generatoren van gasmotoren)
 +
 
 +
Als '''vaste brandstoffen''' voor het vroegere stoombedrijf noemen wij: '''steenkool''', '''bruinkool''', '''briketten''' uit bruinkool en steenkool, '''cokes''', '''kolenpoeder''', '''turf''', '''houtafval''' (stukken, spaanders en zaagsel), '''stro''', '''run''' (in leerlooierijen), '''ampas''' en ander afval. Kortom: alles dat voor verbranding in aanmerking kwam.
 +
 
 +
De '''vloeibare brandstoffen''' bestonden voor het stoombedrijf uit: '''ruwe aardolie''' (naphta en ruwe olie), maar ook de distillatieproducten hiervan, zoals '''petroleum''', '''benzine''', '''gasoline''' en overblijvende resten: '''masuut''' genoemd.
 +
<br>'''Steenkoolteer''' leverde via distillatie op: 40% '''zware''' en 10% '''lichte olie''' op, daarnaast 50% '''pek'''.
 +
<br>Uit zware olie haalde men '''creosootolie''', '''salarolie''', '''gasolie''' en '''anthraceenolie'''.
 +
<br>Uit lichte olie verkreeg men nog '''benzol''', '''steenkoolbenzine''' en '''ergin'''.
 +
<br>Uit '''bruinkoolteer''' was bruikbaar: salarolie, gasolie en paraffine-olie.
 +
<br>Verder kwam nog '''spiritus''' in aanmerking.
 +
 
 +
De '''gasvormige brandstoffen''' kwamen weer uit een andere bedrijfstak: '''hoogovengas''', '''lichtgas''', '''generatorgas''' (uit cokes, anthraciet, bruinkool, briketten, turf en later (in de Tweede Wereldoorlog) ook hout. Op sommige plaatsen werd aan de oppervlakte '''natuurgas''' gewonnen (methaangas).
 +
 
  
 
Bij de opwekking van energie door middel van machine-installaties worden vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruikt.
 
Bij de opwekking van energie door middel van machine-installaties worden vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruikt.

Versie van 31 mrt 2014 om 20:33

(deze tekst is in bewerking)

Bij de opwekking van energie door middel van machine-installaties worden vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruikt.
Vloeibare en gasvormige brandstoffen kunnen op directe wijze worden benut (in olie- en gasmotoren), maar ook indirect (onder stoomketels).
Vaste brandstoffen zijn alleen indirect voor de opwekking van energie/arbeid in te zetten (onder stoomketels en in de generatoren van gasmotoren)

Als vaste brandstoffen voor het vroegere stoombedrijf noemen wij: steenkool, bruinkool, briketten uit bruinkool en steenkool, cokes, kolenpoeder, turf, houtafval (stukken, spaanders en zaagsel), stro, run (in leerlooierijen), ampas en ander afval. Kortom: alles dat voor verbranding in aanmerking kwam.

De vloeibare brandstoffen bestonden voor het stoombedrijf uit: ruwe aardolie (naphta en ruwe olie), maar ook de distillatieproducten hiervan, zoals petroleum, benzine, gasoline en overblijvende resten: masuut genoemd.
Steenkoolteer leverde via distillatie op: 40% zware en 10% lichte olie op, daarnaast 50% pek.
Uit zware olie haalde men creosootolie, salarolie, gasolie en anthraceenolie.
Uit lichte olie verkreeg men nog benzol, steenkoolbenzine en ergin.
Uit bruinkoolteer was bruikbaar: salarolie, gasolie en paraffine-olie.
Verder kwam nog spiritus in aanmerking.

De gasvormige brandstoffen kwamen weer uit een andere bedrijfstak: hoogovengas, lichtgas, generatorgas (uit cokes, anthraciet, bruinkool, briketten, turf en later (in de Tweede Wereldoorlog) ook hout. Op sommige plaatsen werd aan de oppervlakte natuurgas gewonnen (methaangas).


Bij de opwekking van energie door middel van machine-installaties worden vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruikt. Vloeibare en gasvormige brandstoffen kunnen op directe wijze worden benut (in olie- en gasmotoren), maar ook indirect (onder stoomketels). Vaste brandstoffen zijn alleen indirect voor de opwekking van energie/arbeid in te zetten (onder stoomketels en in de generatoren van gasmotoren)

Als vaste brandstoffen voor het vroegere stoombedrijf noemen wij: steenkool, bruinkool, briketten uit bruinkool en steenkool, cokes, kolenpoeder, turf, houtafval (stukken, spaanders en zaagsel), stro, run (in leerlooierijen), ampas en ander afval. Kortom: alles dat voor verbranding in aanmerking kwam.

De vloeibare brandstoffen bestonden voor het stoombedrijf uit: ruwe aardolie (naphta en ruwe olie), maar ook de distillatieproducten hiervan, zoals petroleum, benzine, gasoline en overblijvende resten: masuut genoemd. Steenkoolteer leverde via distillatie op: 40% zware en 10% lichte olie op, daarnaast 50% pek. Uit zware olie haalde men creosootolie, salarolie, gasolie en anthraceenolie. Uit lichte olie verkreeg men nog benzol, steenkoolbenzine en ergin. Uit bruinkoolteer was bruikbaar: salarolie, gasolie en paraffine-olie. Verder kwam nog spiritus in aanmerking.

De gasvormige brandstoffen kwamen weer uit een andere bedrijfstak: hoogovengas, lichtgas, generatorgas (uit cokes, anthraciet, bruinkool, briketten, turf en later (in de Tweede Wereldoorlog) ook hout. Op sommige plaatsen werd aan de oppervlakte natuurgas gewonnen (methaangas).


(Samenvatting uit: Het Stoombedrijf, deel 1 Beknopte handleiding bij de studie van het geheele stoomwezen voor machinisten en studeerenden, door Nanno A. Imelman Ae. E. Kluwer - Deventer 1932)

Bij de opwekking van energie door middel van machine-installaties worden vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruikt. Vloeibare en gasvormige brandstoffen kunnen op directe wijze worden benut (in olie- en gasmotoren), maar ook indirect (onder stoomketels). Vaste brandstoffen zijn alleen indirect voor de opwekking van energie/arbeid in te zetten (onder stoomketels en in de generatoren van gasmotoren)

Als vaste brandstoffen voor het vroegere stoombedrijf noemen wij: steenkool, bruinkool, briketten uit bruinkool en steenkool, cokes, kolenpoeder, turf, houtafval (stukken, spaanders en zaagsel), stro, run (in leerlooierijen), ampas en ander afval. Kortom: alles dat voor verbranding in aanmerking kwam.

De vloeibare brandstoffen bestonden voor het stoombedrijf uit: ruwe aardolie (naphta en ruwe olie), maar ook de distillatieproducten hiervan, zoals petroleum, benzine, gasoline en overblijvende resten: masuut genoemd. Steenkoolteer leverde via distillatie op: 40% zware en 10% lichte olie op, daarnaast 50% pek. Uit zware olie haalde men creosootolie, salarolie, gasolie en anthraceenolie. Uit lichte olie verkreeg men nog benzol, steenkoolbenzine en ergin. Uit bruinkoolteer was bruikbaar: salarolie, gasolie en paraffine-olie. Verder kwam nog spiritus in aanmerking.

De gasvormige brandstoffen kwamen weer uit een andere bedrijfstak: hoogovengas, lichtgas, generatorgas (uit cokes, anthraciet, bruinkool, briketten, turf en later (in de Tweede Wereldoorlog) ook hout. Op sommige plaatsen werd aan de oppervlakte natuurgas gewonnen (methaangas).


(Samenvatting uit: Het Stoombedrijf, deel 1 Beknopte handleiding bij de studie van het geheele stoomwezen voor machinisten en studeerenden, door Nanno A. Imelman Ae. E. Kluwer - Deventer 1932)