Scheprad

Uit wiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Scheprad

Een scheprad is het oudste opvoerwerktuig om water mee te kunnen verplaatsen.
Het scheprad werd voor het eerst toegepast bij windwatermolens in Nederland. Het scheprad wordt vrijwel altijd in verticale positie naast de molen geplaatst.

De maximale opvoerhoogte is als gevolg van de diameter van het rad plm. 2 meter.
De diameter van het rad bedraagt dan ongeveer 6,80 m. Door molens achter elkaar te plaatsen (getrapte bemaling volgens Simon Stevin) kan uiteindelijk elke gewenste opvoerhoogte worden bereikt.

Een scheprad werd aanvankelijk behoudens de as en bijbehorende lagering van hout gemaakt, later van geklonken staal en gietijzer. Een scheprad is een robuust opvoerwerktuig en voldoet prima zolang de opvoerhoogte betrekkelijk gering is en moet overgaan op getrapte bemaling.

450×300px

Evenals bij een pomp is er bij een scheprad sprake van lek en stromingsverliezen. De bladen van een scheprad ketsen eerst op het water, alvorens het water op te scheppen. Door de vorm van een scheprad kan er zijdelings water wegstromen. Het hydraulisch rendement van een goed geconstrueerd scheprad bedraagt bijna 70 % en is vergelijkbaar met een normaal pompsysteem. Dit betekent dat 30 % van de energie die wordt aangewend voor het verpompen van water verloren gaat aan stromingsverliezen zoals lekkage, wervelingen en dergelijke.

410×599px

Bij het droogmalen van de Zuidplaspolder, nabij Gouda - Moordrecht en Nieuwerkerk aan de IJssel is korte tijd gebruik gemaakt van een hellend scheprad. Door een hellend scheprad te gebruiken werd getracht het rendement te verhogen. Het bleef bij een kortstondig experiment.

Er zijn ook stoomgemalen uitgerust met één of meer schepraderen. Enkele van de meest bekende zijn: het boezemgemaal van het Hoogheemraadschap van Rijnland bij Spaarndam (1844). Aan weerszijden van het ketelhuis zijn twee keer vijf gietijzeren en van houten bladen voorziene schepraderen opgesteld. Het gemaal fungeert nog steeds.
Een tweede gemaal, niet ver daar vandaan, is het boezemgemaal in Halfweg (1852), ook hier wordt het water met behulp van schepraderen opgevoerd.
Ook het boezemgemaal Katwijk (1880) is tot 1954 met stoomachines en schepraderen uitgerust geweest. De contouren van de onderbouw van dit gemaal zijn weer tot uiting gebracht tijdens renovatiewerkzaamheden in de periode van 2005 - 2011 terug te vinden.
Voornoemde gemalen zijn gebouw in het kader van het verlies aan berging door het droogmalen van de Haarlemmermeer.

333×250px

En een vierde voorbeeld van een stoomgemaal, maar dan met slechts twee schepraderen, is het stoomgemaal Hertog Reijnout (1883) in de Polder Arkemheem bij Nijkerk/ Putten.

Het voormalige boezemstoomgemaal in Halfweg en het poldergemaal Hertog Reijnout zijn te bezoeken en draaien periodiek, beide gemalen maken geen deel meer uit van de waterbeheersing in het gebied.